Nederlands

cropped-IMG_02342.jpg

‘Kleurenblind’ of ‘kleurenbewust’

Een experiment over raciale identificatie en voorkeur van kinderen

Abstract

In deze studie is gekeken in hoeverre kinderen in Nederland ‘kleurenblind’ of ‘kleurenbewust’ zijn ten aanzien van ras en etniciteit. Om deze abstracte vraag te beantwoorden is een moderne versie van de ‘Dolls’ studie uit de VS in de Nederlandse context gemoderniseerd en gereproduceerd. Het concrete doel van deze studie was de wijze te achterhalen waarop de Nederlandse kinderen (5-11 jaar) zichzelf en anderen identificeren. Daarnaast is gekeken in hoeverre kinderen een voorkeur voor een pop tonen. Er zijn twee analyses verricht. In de eerste analyse is de keuze van kinderen op basis van ‘etniciteit’ geanalyseerd. In de tweede analyse is de keuze van kinderen op basis van ‘uiterlijk’ geanalyseerd. In beide analyses bleek dat alle kinderen in staat zijn om zichzelf en anderen correct te identificeren. De bevindingen tonen aan dat de Nederlandse, Turkse en Marokkaanse kinderen een voorkeur hebben voor de witte pop. De Surinaamse en Afrikaanse kinderen tonen geen duidelijke voorkeur voor één ‘type’ pop, deze kinderen kiezen evenveel voor de witte pop met blond haar/blauwe ogen, de witte pop met bruin haar/ogen en de zwarte pop met zwart haar/ogen.

Introductie

“Pretty much all the honest truth telling in the world is done by children.” ― Oliver Wendell Holmes

De mythe van kleurenblindheid

In de westerse cultuur heerst er een breed gedragen veronderstelling dat kinderen ‘kleurenblind’ zijn ten aanzien van ras en etniciteit. De logica hierachter is dat kinderen “onbeschreven bladen” zijn die geen raciale en etnische vooroordelen ontwikkelen, totdat ze expliciet daartoe worden onderwezen. Ras en racisme wordt nauwelijks met kinderen besproken omdat ze “te jong” zouden zijn. Door het bespreken of benadrukken van ras zouden kinderen “ideeën in hun hoofd krijgen”, wat weer zou leiden tot “vergiftiging van gedachten” (Winkler, 2009:1). Wanneer kinderen zelf proberen ras te bespreken of enige vooringenomenheid tonen, dan wordt dit vaak verworpen, door te beweren dat “hij of zij niet begrijpt wat ze zegt”, of er wordt met een beschuldigende vinger naar de ouders gewezen: “iemand moet dat thuis hebben gezegd”, of dit gedrag wordt indirect als ongewenst bestempeld: “je mag zoiets niet zeggen omdat dit mensen kan kwetsen” (Winkler, 2009:3).

In de meeste pedagogische boeken wordt dit thema verder niet uitgediept. De stilte in deze pedagogische leerboeken, die door leraren, maatschappelijk werkers, psychologen en andere professionals worden gebruikt, wijst ook op de wijdverspreide veronderstelling dat kinderen ‘kleurenblind’ zijn ten aanzien van ras, in andere woorden: ‘geen verschillen zien tussen mensen met verschillende huidskleuren en daarom geen voorkeur hebben voor een huidskleur’ (Derman-Sparks et al, 1980:3).

Internationale onderzoeken

In de internationale literatuur is veel aandacht voor de vraag of blanke en etnische kinderen ‘kleurenblind’ zijn ten aanzien van ras en etniciteit. Het onderzoeksgebied naar raciale identificatie en voorkeur heeft een rijke onderzoekstraditie. Het ‘Dolls’ experiment van Kenneth en Mamie Clark (1947) waarin Afro-Amerikaanse kinderen witte en zwarte poppen als positief en negatief evalueren, wordt vaak aangehaald als het begin van dit onderzoeksgebied. Veel studies nemen raciale voorkeur als maat voor raciale attitudes; dit wordt gedefinieerd als het verkiezen van een raciale groep boven de andere groep(en). De raciale identificatie en voorkeur wordt meestal gemeten door het tonen van beelden (of poppen) van verschillende groepen en door aan de kinderen te vragen om bijvoorbeeld aan te wijzen op ‘welke pop hij of zij lijkt’, ‘welke pop op een blank kind lijkt’ en ‘welke pop de mooiste pop is’ (Freeman, 1993).

Internationale onderzoekers kwamen met verrassende bevindingen die soms in strijd waren met de veronderstellingen in de heersende cultuur. In feite laten studies zien dat kinderen niet alleen ras herkennen en categoriseren, maar dat ze ook vanaf jonge leeftijd een raciale voorkeur verkrijgen (Clark & Clark, 1947; Katz, 2003; Patterson & Bigler, 2006; Aboud, 2008) Een voorkeur die overigens niet noodzakelijkerwijs overeenkomt met de attitudes in de directe omgeving (zoals familie en ouders) (Hirschfeld, 2008).

 ‘Tolerant’ en ‘vrij’ Nederland?

536Tot nu toe is er in Nederland een leemte in onderzoek naar het sociale wereldbeeld van (jonge) etnische en blanke kinderen als het gaat om de raciale attitudes en voorkeur. De meeste studies zijn voornamelijk onder de Afro-Amerikanen uitgevoerd (grotendeels in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië). Hierdoor is het onduidelijk of deze resultaten ook gelden voor verschillende etnische groepen in een multi-etnische context (Wong, Eccles, & Sameroff, 2003:127), zoals bijvoorbeeld de Nederlandse samenleving.

In het algemeen, staat Nederland zowel in het binnenland als het buitenland bekend als een tolerant land, een conflictvrije en liberale samenleving, een meritocratie waar huidskleur of etniciteit geen significante rol speelt. De vraag is echter in hoeverre dit beeld van de volwassenen overeenkomt met het wereldbeeld van blanke en etnische kinderen. Om dit te achterhalen ligt het voor de hand om simpele vragen aan kinderen voor te leggen in plaats vanuit een volwassenenvisie te filosoferen. De primaire vraagstellingstelling hierbij is de vraag in hoeverre kinderen in een multi-etnische context ‘kleurenblind’ zijn ten opzichte van ras en etniciteit. Om deze brede vraag te beantwoorden zijn er drie aspecten onderzocht. Ten eerste is gekeken in hoeverre kinderen zich bewust zijn van raciale en etnische verschillen. Ten tweede in hoeverre kinderen zichzelf en anderen identificeren in termen van ras en etniciteit. En ten slotte, in hoeverre deze kinderen raciale of etnische voorkeuren hebben ontwikkeld.

Wetenschappelijke en maatschappelijke relevantie

ScreenHunter_36-Feb.-26-20.06

Waarom dit onderzoek? Er zijn meerdere redenen waarom dit onderzoek relevant is. Om te beginnen omdat de vraag in hoeverre kinderen in Nederland ‘kleurenblind’ zijn ten opzichte van ras nog niet eerder is onderzocht door de ogen van kinderen. Het is onduidelijk of kinderen in een multi-etnische samenleving ‘kleurenbewust’ of ‘kleurenblind’ zijn. Kortom, de huidige literatuur biedt geen systematisch antwoord op de gestelde vraag. Om deze lacune te vullen is besloten het Dolls experiment te moderniseren en te reproduceren in de Nederlandse context. Bovendien is deze studie relevant voor het welzijn van kinderen. Ouders hechten daar veel belang aan, maar het is ook maatschappelijk relevant, want kinderen zijn de huidige en de volgende generaties.

Daarnaast is het ook vanuit beleidsmatig[1] perspectief relevant om het wereldbeeld van kinderen te onderzoeken en indien nodig het beleid aanpassen. Ter illustratie een actueel en relevant voorbeeld: het debat rond Zwarte Piet. In Nederland begint elk jaar rond half november het Zwarte Piet-debat, voor zover het een ‘debat’ kan worden genoemd. De tegenstanders beweren dat Zwarte Piet bepaalde racistische elementen bevat die op de etnische kinderen negatieve effecten hebben. De voorstanders zien dit als een aanval op de Nederlandse traditie en de reacties zijn dan ook emotioneel beladen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat kinderen uit raciale en etnische minderheidsgroepen overal ter wereld vaker dan kinderen uit de meerderheidsgroep – soms dagelijks – worden geconfronteerd met negatieve en tegenstrijdige denkbeelden, stigmatisering en discriminatie. Deze etnische devaluatie komt uit verschillende bronnen zoals media, politiek, televisie, kranten en films. De negatieve denkbeelden, stigmatisering en discriminatie kunnen leiden tot negatieve effecten op het psychologisch welzijn en het zelfbeeld van kinderen (Verkuyten, Kinket & Van Der Wielen, 1997). Onderzoek laat zien dat devaluatie niet alleen etnische kinderen beïnvloedt, maar ook blanke kinderen: ze worden hierdoor ontmenselijkt en raken intellectueel beschadigd (Cross, 1971). Omdat het zo schadelijk kan zijn voor het zelfbeeld van zowel blanke als etnische kinderen, is het belangrijk om de raciale attitudes en voorkeur van kinderen in verschillende contexten te bestuderen. Hoewel de meeste onderzoeken vanuit psychologisch perspectief worden uitgevoerd, zijn bovengenoemde onderwerpen sociologisch relevant. Sociologen bestuderen vanouds het sociaal handelen van individuen en netwerken (de Jong, 1997).

[1] Beleidsmatig perspectief in bredere zin: ook onderwijsbeleid en beleid van een school.

Een versie van het ‘Dolls’ experiment op YouTube

 

 

 

Onderzoeksvragen

Deze studie is een moderne versie van het oorspronkelijk Poppenexperiment (Clark en Clark, 1947) dat gemoderniseerd is en in een multiculturele context gereproduceerd is. De centrale vraagstelling in dit onderzoek is de vraag in hoeverre kinderen in een multi-etnische context ‘kleurenblind’ zijn ten opzichte van ras en etniciteit. Om deze brede vraag te beantwoorden zijn er drie aspecten onderzocht. Ten eerste is gekeken in hoeverre de Nederlandse kinderen, de Turkse en Marokkaanse kinderen, Afrikaanse en Surinaamse kinderen, zich bewust zijn van raciale en etnische verschillen. Ten tweede, in hoeverre deze drie groepen zichzelf en anderen identificeren in termen van ras en etniciteit. Ten derde, in hoeverre deze kinderen raciale of etnische voorkeuren ontwikkeld hebben. De centrale vraagstelling hierbij is:

Zijn kinderen tussen 5 en 11 jaar in de Nederlandse grootstedelijke multi-etnische context ‘kleurenblind’ ten aanzien van ras en etniciteit?

Om deze abstracte vraag te beantwoorden, is deze vraag in 3 deelvragen opgesplitst:

  1. Zijn kinderen in de grootstedelijke multi-etnische context zich bewust van raciale en etnische verschillen?
  2. Zijn kinderen in de grootstedelijke multi-etnische context in staat om zichzelf en anderen in raciale en etnische termen te identificeren?
  3. Hebben kinderen in de grootstedelijke multi-etnische context raciale en etnische vooroordelen of voorkeuren ontwikkeld?

Methodologie

Participanten

In totaal hebben 159 kinderen deelgenomen aan de experimentele conditie, 75 jongens en 84 meisjes. De deelnemers waren basisschool kinderen in de leeftijd van 5 tot en met 11 jaar (M = 8,23 SD = 1,6 jaren), woonachtig in Den Haag of Rotterdam. Het is opvallend dat wanneer gevraagd is naar het land van herkomst (van het kind) dan blijkt dat 40 kinderen met een andere etniciteit, beschrijft zichzelf als Nederlandse kinderen. Hierdoor, voor het bepalen van de etniciteit is gekeken naar het land van herkomst van de ouders (en voorouders) in plaats van het kind. In totaal zijn er (o.b.v. etniciteit ouders) eenendertig (19,5%) Nederlandse kinderen, vijfendertig (22%) Turkse en dertig (18,9%) Marokkaanse kinderen. Daarnaast zijn er eenendertig (19,5%) Afrikaanse of Surinaamse kinderen, vijftien (9,4%) gemengde kinderen, veertien (8,8%) Oost-Europese kinderen en drie (1,9%) Dominicaanse kinderen.

In Rotterdam werden kinderen samen met de ouders benaderd op het schoolplein en na het verkrijgen van de toestemming zijn kinderen direct (zonder ouders) getest (50 kinderen). In Rotterdam was er een buurthuis dat heeft meegewerkt aan dit onderzoek, in totaal zijn er in dit buurthuis 22 kinderen in een aparte ruimte, individueel getest. In Den Haag hebben 87 kinderen aan dit experiment deelgenomen. In Den Haag zowel de school als de ouders zijn van te voren op de hoogte gesteld over dit experiment maar de school kreeg specifieke details, terwijl de ouders algemene informatie kregen om te voorkomen dat ze van te voren met de kinderen hierover zouden spreken. Alle kinderen hebben tijdens het experiment de poppen voor het eerst gezien. Bij de selectie van de kinderen is gerandomiseerd door rekening te houden met achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, uiterlijk, minimaal 5 jaar woonachtig in een Nederlandse grote stad. Als beloning voor de medewerking hebben kinderen aan het eind van het experiment een cadeautje gekregen (een boekje, schrift of pennen).

Materialen en stimuli

Voor dit experiment zijn er drie poppen gebruikt, naast de klassieke witte ‘Dutch’ en bruine ‘Afro’ pop is er ook een etnische ‘Ethnic’ pop toegevoegd (zie foto 1 en 2). Alle poppen hadden identieke kleding, het verschil was de huidskleur, haar en oog tinten. Voor de jongens zijn de mannelijke poppen gebruikt en voor de meisjes de vrouwelijke poppen. Nog een klein verschil in de mimiek bij de (mannelijke) Afro pop is dat de tanden duidelijk zichtbaar zijn. De volgorde van de poppen werd bij iedere deelnemer verwisseld. Deelnemers kregen in dit experiment de keuze om “één pop”, “geen enkele pop” of “alle drie” poppen te kiezen bij het evalueren van de vragen. Ten slotte, kregen kinderen een vraag ter controle om te kijken in hoeverre het experiment serieus is ondergaan.

De kern van het experiment bestaat uit 8 vragen. Alle vragen zijn letterlijk overgenomen van Clark en Clark (1967:17) en vertaald naar het Nederlands:

  1. Met welke pop wil je het liefst spelen?
  2. Welke pop vind je het leukst?
  3. Welke pop vind je lelijk?
  4. Welke pop heeft de mooiste huidskleur?
  5. Welke pop lijkt op een wit kind?
  6. Welke pop lijkt op een bruin kind?
  7. Welke pop lijkt op een zwart kind?
  8. Op welke pop lijk jij?

Met de vraag 1 tot en met 4 wordt de voorkeur van het kind gemeten. Met de vraag 5 tot en met 7 wordt gemeten in hoeverre kinderen bewust zijn van raciale en etnische verschillen en vraag 8 meet in hoeverre kinderen in staat zijn om zichzelf correct te identificeren.

Foto 1. Barbies voor de meisjes

Babies voor meisjes

Foto 2. Barbies voor de jongens

IMG_0165