De Nederlandse context

In de meeste Westerse landen, waaronder Nederland, groeide het sentiment dat de ‘integratie’ van minderheden mislukt is. In de media, politiek en wetenschappen horen we steeds meer negatieve geluiden over etniciteit en diversiteit. Verschillende (inter)nationale gebeurtenissen zoals 9/11, de moord op van Gogh en Fortuyn, hebben integratie discours beïnvloedt (Vasta, 2007). De tijd van ‘integratie met behoud van eigen identiteit’ ligt ver in het verleden, tegenwoordig wordt negatief gesproken over dubbele nationaliteiten, sociaal isolement, segregatie en radicalisering. Er heerst een opkomende paniekbeeld over migratie en de multiculturele samenleving en terwijl eerst de aandacht werd gericht op migranten uit postkoloniale landen is er een nu (vaak negatief) aandacht voor de migranten uit de islamitische landen (Vink, 2007).

In het algemeen worden begrippen als ‘racisme’ en ‘racistisch’ in Europa gereserveerd voor extremistische rechtse randgroepen en partijen. Het begrip ‘racisme’ is controversieel geworden vanwege sterke negatieve connotaties uit het verleden. Een van de cruciale eigenschappen van de hedendaagse racisme is ontkennen door te rechtvaardigen. Illustratief voorbeeld hiervan is een vaak gebruikte uitspraak: ‘Ik ben niet racistisch maar’ of ik heb niks tegen ‘buitenlanders’ maar’ (van Dijk, 1992:110). Zie een recente Nederlandse humoristische video hierover op YouTube, “Ik ben niet racistisch maar”. Hoewel het woord etniciteit refereert aan een groep mensen met gedeelde kenmerken, blijft dit woord een problematisch concept omdat dit woord vroeger enkel verwees naar een outsidergroep. Ook in de media en bij de gewone mensen bestaan negatieve associaties bij het woord etniciteit. Waarom worden sommige migranten ‘immigranten’ genoemd en anderen migranten, vooral de welvarende en hoogopgeleide westerlingen ‘expat’ genoemd? In dit kader is het relevant om te vermelden dat door middel van taal (woorden zoals ‘allochtoon’ en ‘autochtoon’ of ‘expat’ en ‘immigrant’) de heersende machtsstructuren en ideeën tot uiting komen en hoe taal meestal onbewust bijdraagt aan de instandhouding van de machtsstructuren (Chomsky, 1975). Onderzoek in de Nederlandse context laat zien dat ook in Nederland sprake is van reproductie van racisme door discours en communicatie. Volgens van Dijk zijn de etnische en raciale vooroordelen prominent verworven en gedeeld binnen witte dominante groep (door middel van alledaagse gesprekken en institutionele teksten) (van Dijk, 1992). Daarnaast stelt van Dijk dat “praten en tekst over minderheden, immigranten, vluchtelingen of, meer in het algemeen, over mensen van kleur- of de Derde Wereld volkeren en naties, hebben ook bredere maatschappelijke, politieke en culturele functies” (van Dijk, 1992:113). Naast positieve zelfpresentatie en negatieve presentatie van anderen, zoals discours en signalen met betrekking tot lidmaatschap van een groep (witte ingroup loyaliteiten) en, meer in het algemeen, de verschillende voorwaarden voor de reproductie van de witte groep en hun dominantie in vrijwel alle sociale, politieke en culturele domeinen” (van Dijk, 1992:117)

 

De Nederlandse ‘identiteit’

Ook met betrekking tot identiteit lijkt op allerlei manieren en met allerlei identiteiten iets aan de hand te zijn. De gangbare kwalificaties van identiteit zijn: ‘onzekerheid’, ‘crisis’, ‘conflict’, ‘verwarring’, ‘verlies’ en ‘gebrek’. Identiteit is een van de dominante thema’s van de laatste decennia, in maatschappelijke discussies en in de wetenschappen staat het met stip in de top-tien van ‘gevoelige kwesties’, wat wordt vaak in verband gebracht met thema’s als sociale cohesie, integratie en diversiteit, wij-zij-denken, internationale relaties en globalisering (Verkuyten, 2010). De Europese ‘samensmelting’ is een kreet om nationale eigenheid geworden en de integratie van nieuwe-Nederlanders is steeds meer tot een identiteitskwestie gemaakt waarin ‘dubbele’ loyaliteiten of meervoudige identiteiten problematisch worden genoemd. De aangelegenheid van identiteit is indringender dan ooit en geeft aanleiding tot diepgravende vragen. Vragen zoals: wat is de Nederlandse cultuur, wie is de ‘Nederlander’ en waar staat hij voor, hoe verschilt hij van anderen, waar hoor hij bij, wat is Europa en kan men zowel moslim als Nederlander zijn? Al die vragen worden ineengegrepen en breeduit besproken. Terwijl tegenwoordig de bepaling van de Nederlandse identiteit van een aardig tijdverdrijf een serieuze aangelegenheid is gemaakt, was het lange tijd ‘problematisch’ en gevoelig om te pleiten voor de Nederlandse identiteit. Niet alleen processen van individualisering (die lastig te combineren is met het groepsdenken) en de toenemende economische welvaart maar ook de schaduwen van de nationalistische excessen uit de Tweede Wereldoorlog waren de redenen hiervoor (Verkuyten, 2010).

De Nederlandse multi-etnische samenleving kenmerkt zich onder andere door een grote verscheidenheid van sociale contacten tussen mensen. Volgens Hello (2003) leiden immigratiestromen van mensen tot toenemend intergroepcontacten. De theoretische en beleidsmatige veronderstelling hierbij is dat ‘integratie’ van verschillende culturen zorgt voor een toenemende tolerantie en meer intergroepcontacten zal leiden tot vermindering van het vooroordeel en de stereotypering (Pettigrew en Tropp, 2006). Echter de grootschalige winst voor extreemrechtse politieke partijen (zowel in Nederland als in andere Europese landen) en onderzoeken bij de Nederlandse volwassenen laten zien dat er niet per definitie sprake is van een positief effect. Bijvoorbeeld, wanneer mensen met verschillende culturen in een gemengde wijk wonen, als ze al überhaupt willen wonen, dan ontstaat er niet vanzelf contact tussen verschillende groepen. Mensen gaan zich eerder terugtrekken en vertonen een schildpad gedrag (Putnam, 2007; Blokland, 2001; Veldboer et al, 2008). In het SCP rapport ‘Dichter bij elkaar?’ komen onderzoekers tot de conclusie dat “de discriminatiegeneigdheid van autochtonen en de ervaren discriminatie van migranten is toegenomen” (Huijnk en Dagevos, 2012:47). Dit zijn de ontwikkelingen bij de volwassenen, de vraag is of kinderen ook negatieve intergroepcontacten ervaren. Er zijn weinig studies die onderzoeken in hoeverre en op welke wijze kinderen in Nederland de intergroepcontacten aangaan en welke rol spelen vooroordelen en stereotype bij het aangaan van deze intergroepcontacten (Verkuyten, 2001:203). Hraba et al. (1989) hebben gekeken hoe scholieren in Nederland met andere etnische groepen omgaan en hoe de sociale distantie is tussen verschillende groepen. De resultaten van dit onderzoek wijzen op het bestaan van een etnische hiërarchie. In deze hiërarchieën, werden Europese groepen geplaatst aan de top, verder gevolgd door koloniale groepen en islamitische groeperingen aan de onderkant. Het Poppenexperiment is in de Nederlandse context nog niet eerder zo specifiek in details uitgevoerd. In Nederland is wel een soortgelijke studie uitgevoerd met Surinaamse en Nederlandse kinderen. Hierbij is niet specifiek gekeken naar raciale attitudes en voorkeur maar slechts naar enkele aspecten, zoals de ‘etnische identiteit’ en het ‘zelfbeeld’. Koot et al, (1985) hebben aan kinderen foto’s voorgelegd en 12 vragen gesteld. Vragen zoals: ‘op welke kind lijk je het meest?’, ‘op welke kind zou je het liefst/minst willen lijken?’ (Koot et al, 1985). Het bleek dat 85% van de Creoolse kinderen een voorkeur hadden voor het Hindoestaans en het Nederlandse kind en een derde van de Hindoestaanse kinderen liever op een Nederlands kind willen lijken. De meeste kinderen hadden direct de sterke afwijzing van ‘het typische negroïde uiterlijk’, ter illustratie enkele quotes: “omdat hij zwart is en een krullenbol heeft”, “omdat hij zwart is en van die grote lippen heeft” (ibid. p. 37). Kortom, de keuze werd beargumenteerd door te verwijzen naar de uiterlijke kenmerken, zoals huidskleur en dit werd veelal direct gekoppeld aan discriminatie. Bijvoorbeeld de uitspraken van de Creoolse kinderen: “zij worden gediscrimineerd, ik word ook wel gediscrimineerd, maar niet zo erg”, “ik wil niet zo donker zijn, zo bijna zwart”, “als je een andere kleur hebt in Nederland word je niet geaccepteerd, deze wel”, “sommige die blank zijn, gaan niet met zwarten om” (ibid. p. 41).

 

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *