Introductie: De mythe van kleurenblindheid

“Pretty much all the honest truth telling in the world is done by children.” ― Oliver Wendell Holmes

 

De mythe van kleurenblindheid

In de westerse cultuur heerst er een breed gedragen veronderstelling dat kinderen ‘kleurenblind’ zijn ten aanzien van ras en etniciteit. De logica hierachter is dat kinderen “onbeschreven bladen” zijn die geen raciale en etnische vooroordelen ontwikkelen, totdat ze expliciet daartoe worden onderwezen. Ras en racisme wordt nauwelijks met kinderen besproken omdat ze “te jong” zouden zijn. Door het bespreken of benadrukken van ras zouden kinderen “ideeën in hun hoofd krijgen”, wat weer zou leiden tot “vergiftiging van gedachten” (Winkler, 2009:1). Wanneer kinderen zelf proberen ras te bespreken of enige vooringenomenheid tonen, dan wordt dit vaak verworpen, door te beweren dat “hij of zij niet begrijpt wat ze zegt”, of er wordt met een beschuldigende vinger naar de ouders gewezen: “iemand moet dat thuis hebben gezegd”, of dit gedrag wordt indirect als ongewenst bestempeld: “je mag zoiets niet zeggen omdat dit mensen kan kwetsen” (Winkler, 2009:3).

In de meeste pedagogische boeken wordt dit thema verder niet uitgediept. De stilte in deze pedagogische leerboeken, die door leraren, maatschappelijk werkers, psychologen en andere professionals worden gebruikt, wijst ook op de wijdverspreide veronderstelling dat kinderen ‘kleurenblind’ zijn ten aanzien van ras, in andere woorden: ‘geen verschillen zien tussen mensen met verschillende huidskleuren en daarom geen voorkeur hebben voor een huidskleur’ (Derman-Sparks et al, 1980:3).

Internationale onderzoeken

In de internationale literatuur is veel aandacht voor de vraag of blanke en etnische kinderen ‘kleurenblind’ zijn ten aanzien van ras en etniciteit. Het onderzoeksgebied naar raciale identificatie en voorkeur heeft een rijke onderzoekstraditie. Het ‘Dolls’ experiment van Kenneth en Mamie Clark (1947) waarin Afro-Amerikaanse kinderen witte en zwarte poppen als positief en negatief evalueren, wordt vaak aangehaald als het begin van dit onderzoeksgebied. Veel studies nemen raciale voorkeur als maat voor raciale attitudes; dit wordt gedefinieerd als het verkiezen van een raciale groep boven de andere groep(en). De raciale identificatie en voorkeur wordt meestal gemeten door het tonen van beelden (of poppen) van verschillende groepen en door aan de kinderen te vragen om bijvoorbeeld aan te wijzen op ‘welke pop hij of zij lijkt’, ‘welke pop op een blank kind lijkt’ en ‘welke pop de mooiste pop is’ (Freeman, 1993).

Internationale onderzoekers kwamen met verrassende bevindingen die soms in strijd waren met de veronderstellingen in de heersende cultuur. In feite laten studies zien dat kinderen niet alleen ras herkennen en categoriseren, maar dat ze ook vanaf jonge leeftijd een raciale voorkeur verkrijgen (Clark & Clark, 1947; Katz, 2003; Patterson & Bigler, 2006; Aboud, 2008) Een voorkeur die overigens niet noodzakelijkerwijs overeenkomt met de attitudes in de directe omgeving (zoals familie en ouders) (Hirschfeld, 2008).

‘Tolerant’ en ‘vrij’ Nederland?

536Tot nu toe is er in Nederland een leemte in onderzoek naar het sociale wereldbeeld van (jonge) etnische en blanke kinderen als het gaat om de raciale attitudes en voorkeur. De meeste studies zijn voornamelijk onder de Afro-Amerikanen uitgevoerd (grotendeels in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië). Hierdoor is het onduidelijk of deze resultaten ook gelden voor verschillende etnische groepen in een multi-etnische context (Wong, Eccles, & Sameroff, 2003:127), zoals bijvoorbeeld de Nederlandse samenleving.

In het algemeen, staat Nederland zowel in het binnenland als het buitenland bekend als een tolerant land, een conflictvrije en liberale samenleving, een meritocratie waar huidskleur of etniciteit geen significante rol speelt. De vraag is echter in hoeverre dit beeld van de volwassenen overeenkomt met het wereldbeeld van blanke en etnische kinderen. Om dit te achterhalen ligt het voor de hand om simpele vragen aan kinderen voor te leggen in plaats vanuit een volwassenenvisie te filosoferen. De primaire vraagstellingstelling hierbij is de vraag in hoeverre kinderen in een multi-etnische context ‘kleurenblind’ zijn ten opzichte van ras en etniciteit. Om deze brede vraag te beantwoorden zijn er drie aspecten onderzocht. Ten eerste is gekeken in hoeverre kinderen zich bewust zijn van raciale en etnische verschillen. Ten tweede in hoeverre kinderen zichzelf en anderen identificeren in termen van ras en etniciteit. En ten slotte, in hoeverre deze kinderen raciale of etnische voorkeuren hebben ontwikkeld.

Wetenschappelijke en maatschappelijke relevantie

ScreenHunter_36-Feb.-26-20.06

Waarom dit onderzoek? Er zijn meerdere redenen waarom dit onderzoek relevant is. Om te beginnen omdat de vraag in hoeverre kinderen in Nederland ‘kleurenblind’ zijn ten opzichte van ras nog niet eerder is onderzocht door de ogen van kinderen. Het is onduidelijk of kinderen in een multi-etnische samenleving ‘kleurenbewust’ of ‘kleurenblind’ zijn. Kortom, de huidige literatuur biedt geen systematisch antwoord op de gestelde vraag. Om deze lacune te vullen is besloten het Dolls experiment te moderniseren en te reproduceren in de Nederlandse context. Bovendien is deze studie relevant voor het welzijn van kinderen. Ouders hechten daar veel belang aan, maar het is ook maatschappelijk relevant, want kinderen zijn de huidige en de volgende generaties.

Daarnaast is het ook vanuit beleidsmatig[1] perspectief relevant om het wereldbeeld van kinderen te onderzoeken en indien nodig het beleid aanpassen. Ter illustratie een actueel en relevant voorbeeld: het debat rond Zwarte Piet. In Nederland begint elk jaar rond half november het Zwarte Piet-debat, voor zover het een ‘debat’ kan worden genoemd. De tegenstanders beweren dat Zwarte Piet bepaalde racistische elementen bevat die op de etnische kinderen negatieve effecten hebben. De voorstanders zien dit als een aanval op de Nederlandse traditie en de reacties zijn dan ook emotioneel beladen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat kinderen uit raciale en etnische minderheidsgroepen overal ter wereld vaker dan kinderen uit de meerderheidsgroep – soms dagelijks – worden geconfronteerd met negatieve en tegenstrijdige denkbeelden, stigmatisering en discriminatie. Deze etnische devaluatie komt uit verschillende bronnen zoals media, politiek, televisie, kranten en films. De negatieve denkbeelden, stigmatisering en discriminatie kunnen leiden tot negatieve effecten op het psychologisch welzijn en het zelfbeeld van kinderen (Verkuyten, Kinket & Van Der Wielen, 1997). Onderzoek laat zien dat devaluatie niet alleen etnische kinderen beïnvloedt, maar ook blanke kinderen: ze worden hierdoor ontmenselijkt en raken intellectueel beschadigd (Cross, 1971). Omdat het zo schadelijk kan zijn voor het zelfbeeld van zowel blanke als etnische kinderen, is het belangrijk om de raciale attitudes en voorkeur van kinderen in verschillende contexten te bestuderen. Hoewel de meeste onderzoeken vanuit psychologisch perspectief worden uitgevoerd, zijn bovengenoemde onderwerpen sociologisch relevant. Sociologen bestuderen vanouds het sociaal handelen van individuen en netwerken (de Jong, 1997).

[1] Beleidsmatig perspectief in bredere zin: ook onderwijsbeleid en beleid van een school.

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *