Socialisatie: “Smog in de lucht”

Kinderen gaan vaak zinvolle betekenissen toekennen aan ras, zelfs als volwassenen geen aanwijzingen geven, is van belang om het op te merken dat de bias die kinderen vertonen niet willekeurig is. De bias die kinderen tonen zijn in feite subtiele en minder subtiele verlangen om te behoren tot die ene relatief bijzondere groep. Anders geformuleerd, kinderen waarnemen de manier waarop ‘witheid’ bewust of onbewust wordt genormaliseerd en geprivilegieerd in de westerse samenleving. De ‘blanke’ middenklasse cultuur wordt voorgesteld als de norm in termen van schoonheid, uiterlijk, culturele gewoontes (Tatum, 1997). Deze boodschap is dusdanig voorkomend in de samenleving dat het lijkt op een “smog in de lucht”. Soms is deze smog dik en zichtbaar en soms is het minder zichtbaar maar “het is altijd aanwezig, dag in, dag uit, we ademen het in” (Tatum, 1997:6). Voor jonge kinderen, komt deze boodschap in de vorm van tekenfilms, boeken, televisie, reclames, die allemaal voorzien van subtiele boodschap die de blanke normen als voorkeur genereren. Zelfs in taal en symboliek is er dagelijks de neiging om positieve aspecten te associëren met wit en negatieve aspecten te associëren met zwart: white has become a symbol of purity, of justice, truth, virginity. It defines what it means to be civilized, modern and human. Blackness represents the diametrical opposite: in the collective unconsciousness, it stands for ugliness, sin, darkness, immorality. Even the dictionary definition of white means clean and pure” (Fanon, 1952:17). Verschillende studies laten zien dat kinderen deze linguïstieke connotaties naar mensen generaliseren (Katz, 2003; Tatum, 1997).

Socialisatie

Onderzoekers hebben gevonden dat zelfs zeer jonge kinderen een in-groep bias ontwikkelen (Patterson & Bigler, 2006). Aangezien kinderen zich meer bewust geworden van maatschappelijke normen die bepaalde groepen vooropstellen en bevoordelen, zullen ze meer voorkeur tonen voor de sociaal bevoorrechte groep. Wanneer kinderen worden gevraagd om een speelmaatje te kiezen uit foto’s van onbekende blanke en getinte jongens en meisjes dan kiezen alle kinderen in de leeftijd van 30 maanden een speelmaatjes met hetzelfde ras. Echter, de meerderheid van blanke en etnische kinderen in de leeftijd van 36 maanden kiest een blanke speelmaatje (Katz en Kofkin, 1997:59). De onderzoekers stellen dat dit een reflectie is van de maatschappelijke norm, erop wijzend dat in diverse studies blanke kinderen zelden iets anders dan pro-witte bias vertonen (Katz en Kofkin, 1997:63) terwijl etnische kinderen zo jong als 5 jaar oud bewust zijn van en negatief beïnvloed worden door, stereotypen over hun raciale groep (Hirschfeld, 2008). Het is dan ook niet verrassend dat onderzoek ook aantoont dat etnische ouders vaker een gesprek hebben over ras en racisme dan de blanke ouders. De etnische ouders leren hun kinderen om te functioneren in een raciale onbillijke samenleving, met behoud van raciale trots en een positief zelfbeeld (Hale-Benson, 1990; Hughes et al, 2006; Lesane-Brown, 2006). In dit proces, genaamd ‘raciale of etnische socialisatie’, worden etnische kinderen door de ouders geholpen bij het leren van welke maatschappelijke boodschap uit te filteren en te bevorderen (Boykin & Ellison, 1995:124). Echter, studies tonen aan dat niet alleen blanke ouders maar ook etnische ouders kinderen (in voorschoolse leeftijd) te jong vinden om over ras te praten. Katz en Kofkin (1997) vonden dat de etnische ouders (48%) eerder geneigd zijn om de raciale identiteit met hun kleuters te bespreken dan blanke ouders (12%) maar noch etnische noch blanke ouders waren bereid, om de raciale verschillen die hun kinderen in media, op de speeltuin of in de winkels zagen, te bespreken op die leeftijd. Het bleek dat alleen Afro-Amerikaanse ouders zijn eerder geneigd om cultuur en identiteit met hun zeer jonge kinderen te bespreken, maar praten over raciale ongelijkheid en discriminatie gebeurt alleen als kinderen ouder zijn. Er zijn onderzoekers die stellen dat alle kinderen actief moeten worden onderwezen om de ‘smog’ van witte privilege te herkennen en verwerpen, maar als er al een anti-bias programma in het onderwijs bestaat, dan lijkt het al beetje te laat (Van Ausdale en Feagin, 2001).

 

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *