Wat en wanneer leren kinderen over ras?

cropped-cropped-10156027_10153128528814460_4063498866530177771_n.jpgEr zijn talloze onderzoeken (met verschillende materialen) die het ‘Dolls’ experiment (Clark en Clark, 1947) hebben herhaald (Asher en Allen, 1969; Bigler en Liben, 1993; Freeman, 1993; Greenwald en Oppenheim, 1968; Kircher en Firby, 1971; Klein, Levin en Charry, 1979; Lerner en Schroeder, 1975; Milner, 1975; Porter, 1971; Powell-Hopson, 1985; 1992; Taylor, 1966). In 2007 is dit experiment door een Amerikaanse student herhaald en dit heeft opnieuw belangstelling gegenereerd voor dit onderwerp (Davis, 2007). Hoewel het experiment werd bekritiseerd op methodologische en theoretische gronden (Banks, 1976; Brand et al, 1974), onderzoek in andere contexten, zoals in Hong Kong (Morland, 1969), Nieuw-Zeeland (Vaughan, 1964) en Groot-Brittannië (Milner, 1975), laat vergelijkbare uitkomsten zien. In de meeste experimenten evalueren blanke en etnische kinderen termen ‘zwart’ en ‘wit’ als negatief en positief (binnen de verschillende geografische en sociale contexten). Deze aanzienlijke hoeveelheid internationale onderzoeken indiceren dat blanke en etnische kinderen op een zeer jonge leeftijd zich bewust zijn van fysieke, raciale en culturele verschillen (Lewis & Biber, 1951; Goodman, 1952; Milner, 1975; Van Ausdale & Feagin, 2001). Echter, de leeftijd waarop kinderen raciale verschillen waarnemen is onduidelijk. Onderzoeken uit andere landen laten zien dat kinderen niet alleen mensen categoriseren naar ras, maar ook vroeg beginnen raciale vooroordelen te ontwikkelen (Katz, 2003; Patterson & Bigler, 2006; Aboud, 2008; Hirschfeld, 2008). Bijvoorbeeld, Katz en Kafkin (1997) hebben blanke en etnische kinderen in de leeftijd van zes maanden tot zes jaar onderzocht en kwamen tot de conclusie dat zelfs zuigelingen van 6 maanden zijn in staat om mensen non-verbaal naar ras en geslacht te categoriseren. De zuigelingen hebben significant langer naar een onbekend gezicht van een ander ras dan naar een onbekend gezicht van hetzelfde ras gekeken. De onderzoekers stellen dat deze bevindingen zeer consistent zijn bij zuigelingen van zes maanden dus het initiële bewustzijn van ras begint waarschijnlijk nog eerder (Katz & Kofkin, 1997:55). In het onderzoek van Kelly et al. (2005) toonden pasgeborenen geen spontane voorkeur voor gezichten van eigen- of andere etnische groepen, maar 3-maanden oude baby’s toonde wel een voorkeur voor eigen etnische groep. Deze resultaten suggereren dat preferentiële selectiviteit gebaseerd op etnische verschillen is niet in de eerste dagen van het leven aanwezig, maar wordt binnen de eerste 3 maanden van het leven geleerd. Uit een andere studie blijkt tevens dat tweejarige peuters niet alleen raciale categorieën toeschrijven aan het menselijk gedrag (Hirschfeld, 2008) maar ook raciale vooroordelen uitdrukken en naarmate het kind ouder wordt, vormt hij een stabiel en helder beeld over raciaal bewustzijn, identificatie en voorkeur (Aboud, 2008; Katz, 2003; Patterson & Bigler, 2006). Ook uit de studie van Van Ausdale en Feagin (2001), die jarenlang onderzoek deden in een raciaal en etnisch divers opvangcentrum, blijkt dat kinderen gebruik maken van raciale en etnische categorieën om zichzelf en anderen te identificeren en op basis van ras en etniciteit elkaar insluiten of uitsluiten (Van Ausdale & Feagin, 2001). Kortom, de verschillende studies laten zien dat raciale en etnische vooroordelen complexe verschijnselen zijn, met sociale, emotionele en cognitieve componenten. Er zijn onderzoeken die beweren dat vooroordelen ontstaan door omgevingsfactoren en leerfactoren (Morland, 1958: Porter, 1971) maar ook onderzoeken die de ontwikkeling van vooroordelen aan de cognitieve factoren toeschrijven (Katz, 1983).

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *